|
Voor een compleet overzicht van de gebruikseisen van gebouwen wordt verwezen
naar de model-Bouwverordening van de VNG.
Ondanks alle aan de samenstelling van deze tekst bestede zorg kan de
samensteller geen aansprakelijkheid aanvaarden voor eventuele gevolgen, die
zouden kunnen voortvloeien uit enige fout of onvolledigheid, die in deze
samenvatting zou kunnen voorkomen.
Inleiding
Voor elk gebouw gelden gebruikseisen met betrekking tot
brandveiligheid. Deze algemene gebruikseisen staan omschreven in de
gemeentelijke bouwverordening. De Vereniging
van Nederlandse Gemeenten heeft een model-Bouwverordening uitgegeven die
door de meeste gemeenten in Nederland is overgenomen. Gemeenten zijn vrij om
van deze model-Bouwverordening af te wijken of aanvullende voorwaarden te
stellen.
Bijlage 3
Gebruikseisen voor bouwwerken
| Artikel
6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken |
1. |
Het is
verboden een bouwwerk te gebruiken in strijd met de
gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 3 de
bouwverordening van de Gemeente. |
|
 |
2. |
Onverminderd
het gestelde in het eerste lid, is het verboden een bouwwerk
niet zijnde een woonwagen, woning of woongebouw, te gebruiken
in strijd met de gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in
bijlage 4 van de bouwverordening van de Gemeente. |
|
 |
3. |
Burgemeester
en Wethouders kunnen het vijfde en zesde lid van artikel 3 van
bijlage 3, niet van toepassing verklaren. |
|
De artikelen 6, 7, 8, 9, 10,
11, 15, 16 en 18 van deze bijlage zijn alleen dan van toepassing als bepaalde
brandveiligheidsvoorzieningen zijn geëist. Alle overige artikelen zijn van
toepassing voor elk gebouw.
| Artikel 1
Vrijhouden van terreingedeelten |
1. |
De bij het
bouwwerk behorende brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen
moeten worden vrijgehouden voor blusvoertuigen, en wel zodanig
dat hiervan onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt. |
|
 |
2. |
Op het bij
het bouwwerk behorende terrein moeten de beplanting, de
parkeerplaatsen, de laad-en losplaatsen en plaatsen waar
goederen en afvallen worden opgeslagen of gedeponeerd, zodanig
zijn gesitueerd dat bij brand het oprijden en opstellen van de
voertuigen en andere hulpmiddelen van de brandweer niet worden
bemoeilijkt of belemmerd. |
|
 |
3. |
Onverminderd
het bepaalde in artikel 5.1.2 van de bouwverordening moet ten
behoeve van het verkeer van de hulpverlenende diensten een
doorgaande route met een breedte van 4.50 meter voor
redvoertuigen en 3.50 meter voor blusvoertuigen en een hoogte
van 4.00 meter worden vrijgehouden. Hekwerken die deze route
blokkeren moeten snel en gemakkelijk kunnen worden verwijderd. |
|
[terug
naar inhoudsopgave]
| Artikel 2
Verlichting/elektrische installatie |
1. |
Het is
verboden een verlichtingsinstallatie of een
verlichtingstoestel op zodanige wijze te gebruiken, dat het
gebruik : |
|
 |
a. |
door de
eigenschappen van die installatie of dat toestel zelf gevaar
oplevert voor het ontstaan van brand |
|
 |
b. |
door de
wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of
aangebracht, gevaar oplevert voor het ontstaan van brand. |
|
 |
2. |
Geacht
wordt te zijn voldaan aan de eisen uit het eerste lid, indien
de eigenschappen van de verlichtingsinstallatie in
overeenstemming zijn met het bepaalde in de Regeling
Bouwbesluit aansluitvoorwaarden, zoals laatstelijk herzien. |
|
| Artikel 3
Installaties voor verwarming en kookdoeleinden |
1. |
In de
stookruimte mogen geen brandbare goederen worden
opgeslagen/opgesteld. Stooktoestellen die buiten een
stookruimte zijn opgesteld , dienen vrij te worden gehouden
van brandbare goederen. |
|
 |
2. |
Een
opening ten behoeve van ventilatie, op grond van enige
regeling geëist, mag niet worden afgesloten. |
|
 |
3. |
Het is
verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel op
zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik : |
|
 |
a. |
door de
eigenschappen van die installatie of dat toestel zelf gevaar
oplevert voor het ontstaan van brand |
|
 |
b. |
door de
wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of
aangebracht, gevaar oplevert voor het ontstaan van brand. |
|
 |
4. |
Het in 3.3
bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen van de
installatie wordt niet geacht aanwezig te zijn bij het gebruik
van centrale-verwarmingsinstallaties die voldoen aan de
veiligheidseisen voor centrale-verwarmingsinstallaties of bij
gas door middel van pijpleidingen aan de
gasinstallatievoorschriften of bij vloeibaar gas aan de
voorschriften. Alle eisen zijn volgens bepaalde NEN-normen die
ook in de bouwverordening worden genoemd. |
|
 |
5. |
Het is
verboden een verwarmingstoestel met afvoergelegenheid voor het
stoken van vaste of vloeibare brandstof te gebruiken indien de
verbrandingsgassen daarvan niet worden afgevoerd door middel
van een doeltreffende voorziening voor de afvoer van rook. |
|
 |
6. |
Het is
verboden een verwarmingstoestel voor het stoken met gas te
gebruiken indien de verbrandingsgassen daarvan niet worden
afgevoerd door middel van een doeltreffend rookkanaal of
gasafvoerkanaal. |
|
[terug
naar inhoudsopgave]
| Artikel 4
Voorzieningen voor de afvoer van rook |
1. |
Het is
verboden een rookkanaal te gebruiken dat niet doeltreffend is
gereinigd. |
|
 |
2. |
Het is
verboden een rookkanaal uit te branden. |
|
 |
3. |
Het is
verboden een rookkanaal of gasafvoerkanaal te gebruiken,
indien dit gebruik door de toestand waarin dat rookkanaal of
dat gasafvoerkanaal zich bevindt dreigend gevaar oplevert voor
de veiligheid van personen. |
|
 |
4. |
Het is
verboden een rookkanaal waarin brand heeft gewoed te gebruiken
voordat het is gereinigd en zonodig hersteld. |
|
 |
5. |
Het is
verboden een rookkanaal te gebruiken als dit zonder een
inrichting tot het opvangen van vonken dreigend gevaar
oplevert voor het ontstaan van brand. |
|
| Artikel 5
Verbod voor roken en open vuur |
1. |
Het is
verboden te roken of vuur te hebben in een ruimte die wordt
gebruikt als opslagplaats voor bepaalde stoffen (die u kunt
opzoeken in de bouwverordening) en bij werkzaamheden met
brandbare vloeistoffen en/of gassen. |
|
 |
2. |
Niemand
mag roken of vuur bij zich hebben op plaatsen waar een zodanig
verbod, ter voldoening aan hetgeen bij of krachtens wettelijk
voorschrift is gesteld, op een voor een ieder kenbare wijze is
aangegeven. |
|
| Artikel 6
Droge blussing (van toepassing indien droge blusleiding is geëist
door de gemeente) |
1. |
Ten minste
eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op
de reinheid en goede werking van droge blusleidingen. |
|
 |
2. |
.. |
|
 |
3. |
Bij
oplevering van de installatie en daarna eenmaal per vijf jaar
moet de droge blusleiding worden getest. Resultaten van deze
test moeten, in de vorm van een test rapport aan de commandant
van de brandweer worden gezonden. |
|
 |
4. |
De
pompinstallatie voor de droge blusleiding moet voldoen aan het
gestelde in hoofdstuk 9 van het boek ‘Een brandveilig gebouw
installeren’ (uitgave van De Nederlandse Brandweer
Federatie). |
|
 |
5. |
De
pompinstallatie voor de droge blusleiding moet ten minste
eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en
zo nodig gerepareerd. |
|
 |
6. |
Ten minste
eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op
de goede werking van de pompinstallatie voor de droge
blusleiding. |
|
[terug
naar inhoudsopgave]
Artikel
7 Brandweerlift
(van toepassing indien brandweerlift is geëist door
de gemeente)
1. |
De
brandweerlift moet ten minste eenmaal per maand worden
gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden
gerepareerd. |
|
 |
2. |
Ten minste
eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op
reinheid, veiligheid en goede werking van de liften |
|
Artikel 8
Brandmeldinstallatie
(van toepassing indien brandmeldinstallatie is geëist
door de gemeente)
De brandmeldinstallatie moet doeltreffend beheerd, gecontroleerd en
onderhouden worden. Aan deze eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien is
voldaan aan het gestelde in NEN 2654 (1993).
Artikel
9 Ontruimingsalarminstallatie
(van toepassing indien ontruimingsalarminstallatie is
geëist door de gemeente)
1. |
De
ontruimingsalarminstallatie moet te allen tijde voor
onmiddellijk gebruik beschikbaar zijn. De
ontruimingsalarminstallatie moet in een goede staat verkeren
en voldoen aan het gestelde in hoofdstuk 2 van het boek ‘Een
brandveilig gebouw installeren’ (uitgave van De Nederlandse
Brandweer Federatie). |
|
 |
2. |
De
ontruimingsalarminstallatie moet eenmaal per maand worden
gecontroleerd op een goede werking en zonodig gerepareerd.. |
|
 |
3. |
Ten minste
eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op
de reinheid en goede werking van ontruimingsalarminstallaties. |
|
 |
4. |
De
rechthebbende op het bouwwerk waarin een
ontruimingsalarminstallatie is geëist, moet een
ontruimingsplan opstellen ten behoeve van de in het bouwwerk
aanwezige personen. |
|
 |
5. |
Ten minste
eenmaal per jaar dient een oefening van het ontruimingsplan
plaats te vinden. Bij deze oefening dient ten minste een
gedeelte van het bouwwerk ontruimd te worden. |
|
 |
6. |
Door of
namens burgemeester en wethouders kunnen tijdstippen worden
bepaald waarop ontruimingsoefeningen moeten plaatsvinden. |
|
[terug
naar inhoudsopgave]
Artikel
10 Brandblusinstallatie
(van toepassing indien brandblusinstallatie is geëist
door de gemeente)
Met betrekking tot het gebruik van de automatische brandblusinstallatie
(bijvoorbeeld een sprinklerinstallatie) moet te allen tijde een geldig
certificaat kunnen worden overgelegd, dat is verleend door een door
burgemeester en wethouders aanvaarde instelling.
Artikel
11 Pompinstallaties t.b.v. brandslanghaspels (hydrofoor)
(van toepassing indien pompinstallatie is geëist door
de gemeente)
1. |
De
pompinstallaties moeten ten minste eenmaal per maand worden
gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden
gerepareerd. |
|
 |
2. |
Ten minste
eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op
de reinheid en de goede werking van pompinstallaties. |
|
| Artikel 12
Automatisch werkende vluchtdeuren |
1. |
De
automatisch werkende schuifdeuren moeten gedurende de tijd dat
personen in het bouwwerk aanwezig zijn in de stand
automatisch, bij een spanningsval in de
elektriciteitsvoorziening automatisch openen en in geopende
stand blijven staan. |
|
 |
2. |
Bij
aanwezigheid van een sluisconstructie dienen voorzieningen te
zijn getroffen dat in geval van brand de sluiswerking teniet
wordt gedaan overeenkomstig het gestelde in hoofdstuk 10 van
het boek ‘Een brandveilig gebouw installeren’ (uitgave van
De Nederlandse Brandweer Federatie). |
|
[terug
naar inhoudsopgave]
Artikel
12 A Vluchtdeuren van overdruktrappehuizen
De deuren die op de verdiepingen van gebouwen leiden naar
een overdruktrappehuis (als bedoeld in NEN 6092) moeten op ooghoogte zijn
voorzien van een opschrift, luidende : ‘Bij brandalarm HARD DUWEN’.
| Artikel 13
Transparanten (=vluchtwegaanduiding) |
1. |
Indien op
grond van enig wettelijk voorschrift noodverlichting in het
bouwwerk aanwezig is, dienen de vluchtwegaanduidingen
(transparanten) hierop aangesloten te zijn. |
|
 |
2. |
De
transparanten moeten ten minste eenmaal per jaar worden
gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden
gerepareerd. |
|
 |
3. |
De
transparantverlichting, welke aanwezig is of op grond van enig
wettelijk voorschrift is geëist, dient altijd goed zichtbaar
te zijn en moet branden tijdens aanwezigheid van personen. |
|
Artikel 15 Rook-
en warmteafvoerinstallatie
(van toepassing indien rook- en
warmteafvoerinstallatie is geëist door de gemeente)
1. |
De rook-
en warmteafvoerinstallatie moet voldoen aan het gestelde in
hoofdstuk 16 van het boek “Een brandveilig gebouw
installeren” (uitgave Nederlandse Brandweer Federatie). |
|
 |
2. |
De rook-
en warmteafvoerinstallatie moet ten minste eenmaal per maand
worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden
gerepareerd. |
|
 |
3. |
Ten minste
eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op
de goede werking van de rook- en warmteafvoerinstallatie. |
|
[terug
naar inhoudsopgave]
Artikel
16 Overdrukinstallatie
(van toepassing indien overdrukinstallatie is geëist
door de gemeente)
1. |
De
overdrukinstallatie moet voldoen aan het gestelde in hoofdstuk
14 van het boek “Een brandveilig gebouw installeren”
(uitgave Nederlandse Brandweer Federatie). |
|
 |
2. |
De
overdrukinstallatie moet ten minste eenmaal per maand worden
gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden
gerepareerd. |
|
 |
3. |
Ten minste
eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op
de goede werking van de overdrukinstallatie. |
|
| Artikel 17
Luchtbehandelingsinstallatie |
1. |
De
luchtbehandelingsinstallatie moet voldoen aan het gestelde in
hoofdstuk 13 van het boek “Een brandveilig gebouw
installeren” (uitgave Nederlandse Brandweer Federatie). |
|
 |
2. |
De
luchtbehandelingsinstallatie moet ten minste eenmaal per maand
worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden
gerepareerd. |
|
 |
3. |
Ten minste
eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op
de goede werking van de luchtbehandelingsinstallatie. |
|
Artikel 18
Brandweeringang
(van toepassing indien brandweeringang is geëist door
de gemeente)
Een brandweeringang moet door de brandweer te openen zijn met behulp van het
bij de brandweer ingebruik zijnde sleutel- c.q. sleutelkluissysteem dan wel
automatisch bij een brandmelding.
[terug naar inhoudsopgave]
Artikel
19 Register
Alle werkzaamheden aan de bovenvermelde installaties
moeten in een register worden vermeld. Dit register moet in een bouwwerk ter
inzage liggen.
| Artikel 20 |
1. |
Bij het
verrichten van werkzaamheden of doen verrichten van onderhouds-,
herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden, waarbij
stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit Brandveiligheid
(Stcrt. 1992, nr 104), of gereedschappen worden gebruikt,
waarvan het gebruik aanleiding kan geven tot het ontstaan van
brand, moeten voldoende maatregelen zijn getroffen tegen het
ontstaan van brand. |
|
 |
2. |
Voordat de
in het voorgaande lid genoemde werkzaamheden verricht worden
in, op of aan een bouwwerk of installatie van een bouwwerk dat
vanwege zijn kunstwaarde, wetenschappelijk of maatschappelijk
belang bijzondere bescherming behoeft tegen brandgevaar, dient
dit door de rechthebbende van het bouwwerk aan Burgemeester en
Wethouders te worden gemeld. |
|
[terug
naar inhoudsopgave]
Bijlage
4 Gebruikseisen voor bouwwerken, niet zijnde één- en meergezinshuizen en
woonwagens, behalve voor één- en meergezinshuizen en woonwagens waarin
sprake is van een verminderde zelfredzaamheid van bewoners in combinatie met
permanent toezicht op en begeleiding van bewoners.
Bijlage
behorende behorende bij artikel 6.2.1, tweede lid van de Bouwverordening van
de Gemeen.
| Artikel
6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken |
1. |
1 Het is
verboden een bouwwerk te gebruiken in strijd met de
gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 3 de
Bouwverordening van de Gemeente.. |
|
 |
2. |
2
Onverminderd het gestelde in het eerste lid, is het verboden
een bouwwerk niet zijnde een woonwagen, woning of woongebouw,
te gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per
onderwerp vermeld in bijlage 4 van de Bouwverordening van de
Gemeente. |
|
 |
3. |
Burgemeester
en Wethouders kunnen het vijfde en zesde lid van artikel 3 van
bijlage 3, niet van toepassing verklaren. |
|
| Artikel 1
Uitgangen en vluchtwegen |
1. |
De
ingangen, doorgangen, uitgangen, nooduitgangen, gangpaden,
galerijen, trappen, hellingbanen en vluchtwegen moeten te
allen tijde over de minimaal vereiste breedte zijn
vrijgehouden van obstakels en steeds voldoende stroef zijn.
Dit geldt eveneens voor het als verlengstuk van de vluchtwegen
aan te merken gedeelte van het aansluitend terrein. |
|
 |
2. |
Een
(nood)uitgangsdeur mag bij aanwezigheid van personen in het
bouwwerk uitsluitend zodanig zijn gesloten, dat de
uitgangsdeur van binnen uit ogenblikkelijk over de minimaal
vereiste breedte kan worden geopend zonder dat hiertoe gebruik
moet worden gemaakt van een sleutel of een ander los voorwerp. |
|
 |
3. |
Deuren en
luiken die een brandwerende en/of rookwerende functie hebben,
mogen niet langer in geopende stand worden gehouden dan voor
het verkeer van personen of het vervoer van goederen
noodzakelijk is, tenzij door middel van automatische
inrichtingen die de deuren, resp. luiken, loslaten zodra een
toestand intreedt waarin deze als brandwering en/of rookwering
moeten dienen. Deze automatische inrichtingen behoeven de
goedkeuring van burgemeester en wethouders. |
|
 |
4. |
Buitentrappen
en hellingbanen van bouwwerken bestemd voor het verblijf van
mensen moeten worden vrijgehouden van sneeuw en ijs. |
|
 |
5. |
Deuren,
hekken en andere afsluitingen in vluchtwegen moeten, indien
deze niet draaien in de vluchtrichting, gedurende de tijd dat
in het gebouw personen aanwezig zijn, in geheel geopende stand
worden gehouden en zodanig zijn vastgezet dat deze niet door
onbevoegden kunnen worden gesloten (dit geldt niet voor
brandwerende deuren). |
|
 |
6. |
Gordijnen
in of voor een ingang, doorgang, uitgang en nooduitgang e.d.
moeten zodanig zijn aangebracht, dat deze met de deuren
meedraaien en in generlei opzicht het openen van de deuren
belemmeren en/of verhinderen. |
|
 |
7. |
Kabels en
snoeren moeten in geval deze over de vloer moeten lopen met
goede plakstrips worden vastgeplakt en wel zodanig dat
struikelen en/of vallen wordt voorkomen. |
|
 |
8. |
Rookvorming,
veroorzaakt door bij voorbeeld een rookapparaat of koudijs of
op andere wijze gemaakt mag nooit een snelle ontruiming
verhinderen. |
|
[terug
naar inhoudsopgave]
Artikel
2 Stoffering en versiering
(zie ook tabel 3: maximaal
toelaatbaar aantal personen in een ruimte van een gebouw met het oog op de
brandveiligheid)
1. |
Stoffering
en versiering moeten vrijgehouden worden van spots en andere
warm wordende apparatuur, waarvan de oppervlaktetemperatuur
meer dan 80 graden C bedraagt. |
|
 |
2. |
Vloer- en
trapbedekkingen in vluchtwegen en in ruimten waarin meer dan
50 personen gelijktijdig kunnen verblijven moeten zodanig zijn
aangebracht dat zij niet kunnen verschuiven, omkrullen of
oprollen en mogen in generlei opzicht gevaar voor uitglijden,
struikelen of vallen kunnen veroorzaken. |
|
 |
3. |
Gordijnen
en andere verticale stofferingen in ruimten waarin meer dan 50
personen gelijktijdig kunnen verblijven moeten 0,10 meter vrij
van de vloer worden gehouden. |
|
 |
4. |
Tussen het
vloeroppervlak van een ruimte en de aangebrachte versiering
moet een vrije ruimte van minimaal 2,50 meter overblijven.
Deze versiering mag niet gemakkelijk ontvlambaar zijn, in
geval van brand mag geen druppelvorming plaatsvinden. |
|
 |
5. |
Met
brandbaar gas gevulde ballonnen mogen niet aanwezig zijn. |
|
 |
6. |
De toe te
passen, verticaal op te hangen textielproducten moeten in
vluchtwegen en in ruimten waarin meer dan 50 personen
gelijktijdig kunnen verblijven, een navlamduur hebben van ten
hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60
seconden, bepaald volgens de normen NEN-EN-ISO 6940 en 6941,
uitgaven 1995. |
|
 |
7. |
De
toegepaste bekledingsmaterialen moeten voldoen aan: |
|
 |
a. |
NEN 1775,
uitgave 1991, en NEN 1775/C2, uitgave 1992, klasse T1 ten
aanzien van vloeren; |
|
 |
b. |
NEN 6065,
uitgave 1991, en NEN 6065/C1, uitgave 1992, klasse 2 ten
aanzien van de overige aankleding en versiering; |
|
 |
c. |
De eis ten
aanzien van gordijnen van een navlamduur van ten hoogste 15
seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden,
bepaald volgens NEN-EN-ISO 6940 en 6941, uitgaven 1995; |
|
 |
d. |
NEN 6066,
uitgave 1991, optische rookdichtheid<2,2 m-1 ,
waarbij laatsgenoemde eis niet geldt voor vloeren en
tredevlakken. |
|
| Artikel 3
Installaties |
1. |
1. De
elektrische verlichting moet aan de volgende eisen voldoen : |
|
 |
a. |
Indien
voor het gebruik door personen bestemde ruimten van een gebouw
overdag onvoldoendedaglicht ontvangen of dergelijke ruimten na
zonsondergang worden gebruikt , moet met het oog op het veilig
kunnen verlaten van het gebouw in die ruimten tijdens het
gebruik daarvan een zodanige elektrische verlichting in
werking zijn, dat de verlichtingssterkte op vloerniveau ten
minste 10 lux bedraagt. |
|
 |
b. |
Indien
voor het gebruik door personen bestemde gedeelten van een
bouwwerk, geen gebouw zijnde, overdag onvoldoende daglicht
ontvangen of dergelijke gedeelten na zonsondergang worden
gebruikt, moet men met het oog op het veilig kunnen verlaten
van het bouwwerk op die gedeelten tijdens het gebruik daarvan
een zodanige elektrische verlichting in werking zijn, dat de
verlichtingssterkte op vloerniveau ten minste 10 lux bedraagt. |
|
 |
c. |
Wanneer
aan de buitenzijde van de uitgangen van het bouwwerk
onvoldoende daglicht aanwezig is, moeten daar lampen van de
elektrische buitenverlichting branden (minimaal 10 lux op de
vloer). |
|
 |
d. |
Treden in
ruimten die tijdens de aanwezigheid van personen zijn
verduisterd, moeten zodanig zijn verlicht dat deze duidelijk
zichtbaar zijn. |
|
 |
e. |
Indien een
ruimte de mogelijkheid met zich meebrengt dat deze tijdens de
aanwezigheid van personen wordt verduisterd , moet in die
ruimte, indien er meer dan 50 personen gelijktijdig
verblijven, lampen branden van zodanige sterkte dat een
redelijke oriëntering mogelijk is. |
|
 |
f. |
Het
gebruik van andere dan elektrische verlichting is verboden. |
|
 |
2. |
Installaties
voor verwarming en kookdoeleinden |
|
 |
a. |
In het
bouwwerk mogen geen losse verwarmingstoestellen aanwezig zijn. |
|
 |
b. |
Tijdelijke
gasinstallaties mogen maximaal 10 meter vanaf een niet vast
opgesteld verbruikstoestel worden geplaatst. Indien de
verbinding door middel van een slang plaatsvindt, dan moet dit
een GIVEG goedgekeurde slang zijn. De slang moet met
deugdelijke slangklemmen op de slangpilaren bevestigd zijn. |
|
 |
c. |
De
opstelling van een kooktoestel moet brandveilig zijn. |
|
[terug
naar inhoudsopgave]
Artikel
4 Blusmiddelen
Bij inbouw moet het blusmiddel door middel van een door
burgemeester en wethouders goedgekeurd pictogram of door middel van een
aanduiding worden aangegeven.
| Artikel 5
Verbod voor roken, open vuur en vuurwerk |
1. |
Het
rookverbod c.q. openvuurverbod moet op opvallende plaatsen
duidelijk zichtbaar staan aangegeven door middel van het
opschrift ‘VERBODEN TE ROKEN’ of ‘VERBODEN VOOR OPEN
VUUR’; of door een gestandaardiseerd symbool overeenkomstig
het gestelde in de norm NEN-3011, uitgave 1986. |
|
 |
2. |
Kaarsen
moeten op stabiele en degelijke, niet gemakkelijk ontvlambare,
standaards zijn vastgezet. |
|
 |
3. |
Voor het
afsteken van vuurwerk in bouwwerken dient 14 dagen van tevoren
een overzicht bij burgemeester en wethouders te worden
ingediend, waaruit blijkt dat die activiteit op veilige wijze
zal plaatsvinden. |
|
| Artikel 6
Opstellingsplannen |
1. |
Bij in
rijen opgestelde zitplaatsen moet tussen de rijen een vrije
ruimte aanwezig zijn van ten minste 0.40 meter, gemeten tussen
de loodlijnen door de elkaar dichtst naderende gedeelten van
de rijen. Indien in een rij tussen zitplaatsen tafeltjes zijn
geplaatst, moet de genoemde vrije ruimte ter plaatse van de
tafeltjes doorlopen. |
|
 |
2. |
Bij in
rijen opgestelde zitplaatsen moeten, indien een rij meer dan 4
stoelen bevat en 4 of meer rijen achter elkaar zijn geplaatst,
deze zo zijn gekoppeld dan wel aan de vloer zijn bevestigd dat
deze ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of
omvallen. De stoelkoppeling moet ten genoegen van burgemeester
en wethouders zijn uitgevoerd. |
|
 |
3. |
Een rij
zitplaatsen, die slechts aan één einde op een gangpad of
uitgang uitkomt, mag niet meer dan 8 zitplaatsen bevatten. |
|
 |
4. |
Een rij
zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of een uitgang
uitkomt, mag ten hoogste bevatten: |
|
 |
a. |
16
zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen kleiner is
dan 0,45 meter; |
|
 |
b. |
32
zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is
dan 0,45 meter; |
|
 |
c. |
50
zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is
dan 0,45 meter en er bovendien aan beide einden van de rijen
per 4 rijen een uitgang met breedte van ten minste 1,10 meter
aanwezig is. |
|
 |
5. |
Meubelen
en voor aankleding of versiering dienende voorwerpen op en op
minder dan 2,50 meter hoogte boven de vloer van een ruimte
waarin personen verblijven mogen – voor meubelen gemeten bij
gebruik daarvan – in loodrechte projectie op de vloer van de
ruimte slechts een zodanige ruimte beslaan dat ten minste: |
|
 |
a. |
0,25 m2
vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon
waarvoor geen zitplaats aanwezig is; |
|
 |
b. |
0,30 m2
vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon
waarvoor een zitplaats aanwezig is die zodanig is of is
aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan
verschuiven of omvallen; |
|
 |
c. |
0,50 m2
vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon
waarvoor een zitplaats aanwezig is die niet zodanig is of is
aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan
verschuiven of omvallen; |
|
 |
6. |
Meubelen
en voor aankleding of versiering dienende voorwerpen in een
ruimte waarin personen verblijven, moeten indien de vrije
vloeroppervlakte minder dan 0,50 m2 per persoon
bedraagt, zodanig zijn aangebracht dat zij ten gevolge van
gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen. |
|
 |
7. |
Van
ruimten waarin meer dan 50 personen gelijktijdig kunnen
verblijven dient ten genoegen van burgemeester en wethouders
een opstellingsplan aanwezig te zijn. |
|
[terug
naar inhoudsopgave]
| Artikel 7
Afval |
1. |
Afval moet
dagelijks worden verzameld in veilig opgestelde goed af te
sluiten containers van moeilijk brandbaar materiaal, voor
zover de containers binnen het bouwwerk zijn opgesteld. |
|
 |
2. |
Asbakken
moeten regelmatig, maar ten minste dagelijks, worden geleegd
in afsluitbare asverzamelaars van onbrandbaar materiaal. De
inhoud van deze asverzamelaars mag slechts in onbrandbare
vaten, die van een deksel zijn voorzien, worden gedeponeerd. |
|
 |
3. |
De
aanwezige asbakken en/of papierbakken moeten van onbrandbaar
materiaal zijn vervaardigd. |
|
| Artikel 8
Periodieke controle |
1. |
Ten minste
eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op
de reinheid en de goede werking van en zo nodig gerepareerd,
voor zover van toepassing, onderstaande voorzieningen: |
|
 |
a. |
brandhaspels |
|
 |
b. |
handbrandblusapparaten |
|
 |
c. |
telefooninstallaties |
|
 |
d. |
sluiting
mechanisme van de brandwerende rolluiken |
|
 |
e. |
doorvoeringen
en sluitingsmechanismen van afsluitingen in brandwerende
scheidingen |
|
 |
2. |
De
registratie van de controlewerkzaamheden dient te worden
bijgehouden in een speciaal daarvoor bestemd register. |
|
 |
3. |
De met
controle belaste functionarissen van de brandweer kunnen
tijdstippen bepalen en de wijze aangeven waarop een en ander
wordt beproefd. |
|
Voor bepaalde gebouwen in een
gemeente kan het college van Burgemeester en Wethouders specifieke voorwaarden
stellen ten aanzien van het brandveilig gebruiken door het verstrekken van een
zogenaamde gebruiksvergunning. In artikel 6.1.1 van de Bouwverordening van de
Gemeente is dat als volgt omschreven:
Het is verboden zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning van
Burgemeester en Wethouders een bouwwerk in gebruik te hebben of te houden,
waarin:
1. |
meer dan
vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn, anders dan in
één- of meergezinshuis; |
|
 |
2. |
bedrijfsmatig
de in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (STcrt. 1992,
104) bedoelde stoffen zullen worden opgeslagen; |
|
 |
3. |
meer dan
tien personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging
nachtverblijf zal worden verschaft; |
|
 |
4. |
aan meer
dan tien kinderen jonger dan twaalf jaar, of aan meer dan tien
lichamelijk en/of geestelijk gehandicapten dagverblijf zal
worden verschaft. |
|
Burgemeester en Wethouders kunnen
aan de gebruiksvergunning slechts voorwaarden verbinden in het belang van het
voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en
het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand. Hieronder worden begrepen
voorwaarden met betrekking tot:
| |
stoffering
en versiering; |
|
 |
|
uitgangen
en vluchtwegen; |
|
 |
|
installaties; |
|
 |
|
standbouw,
podia, kramen e.d.; |
|
 |
|
verbrandingsmotoren; |
|
 |
|
verbod
voor open vuur en vuurwerk; |
|
 |
|
bewaking
en controle; |
|
 |
|
ventilatie
en werkzaamheden; |
|
 |
|
brandbare,
brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen; |
|
 |
|
opstellingsplannen; |
|
 |
|
afval; |
|
 |
|
doorlopend
toezicht; |
|
 |
|
brandveiligheidsinstructie
en ontruimingsplan uitgaande van de bestaande interne
organisatie; |
|
 |
|
het
maximaal toelaatbare aantal personen in een ruimte van een
gebouw of in een gebouw met het oog op de brandveiligheid; |
|
 |
|
de plaats
van, alsmede het aantal en het type draagbare blustoestellen. |
|
Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van
een verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden
gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de
gebruiksvergunning, kunnen Burgemeester en Wethouders aan de vergunning nieuwe
voorwaarden verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken.
[terug naar inhoudsopgave]
Samenvatting
belangrijkste specifieke voorwaarden bij een gebruiksvergunning zoals
omschreven in bijlage 2 van de toelichting op de Bouwverordening van de
Gemeente Bussum:
| Artikel 1
Stoffering en versiering |
1. |
De
toegepaste materialen moeten voldoen aan: Zie bijlage 4
Bouwverordening Gemeente Bussum. |
|
 |
2. |
Decors,
rekwisieten e.d. mogen niet makkelijk ontvlambaar zijn en
mogen bij brand geen grote rookontwikkeling geven. |
|
| Artikel 2
Uitgangen en vluchtwegen |
1. |
Waar op de
bij de gebruiksvergunning behorende tekening(en) als zodanig
is aangegeven, dient duidelijk zichtbaar het opschrift:
'NOODDEUR VRIJHOUDEN' en/of 'NOODUITGANG' te zijn aangebracht. |
|
| Artikel 3
Installaties |
1. |
Het op de
plattegrondtekening als zodanig aangegeven telefoontoestel
moet te allen tijde voor onmiddellijk gebruik beschikbaar
zijn. |
|
[terug naar inhoudsopgave]
| Artikel 4
Standbouw, podia, kramen e.d. |
1. |
Voor
standbouw, podia e.d. mogen uitsluitend onbrandbare materialen
en/of de volgende stoffen worden toegepast onder de voorwaarde
dat de hoedanigheid van deze stoffen met de volgende nadere
omschrijving. |
|
 |
2. |
Hout,
hardboard, triplex, multiplex, spaanplaat. Het materiaal moet
ten minste 3,5 millimeter dik zijn. Het materiaal moet ten
aanzien van vlamuitbreiding kunnen worden ingedeeld in klasse
3. |
|
 |
3. |
Glas in
plafonds. Deze glasbezetting moet bestaan uit glas met een
ingegoten kruiswapening met een maximale maaswijdte van 16
millimeter. |
|
 |
4. |
Textiel in
verticale toepassing. |
|
 |
5. |
Vrijhangend
textiel moet ten minste 10 centimeter boven de vloer hangen.
Onbrandbaar textiel mag na behandeling niet brandbaar zijn
geworden. Brandbaar textiel moet door impregneren moeilijk
brandbaar zijn gemaakt, of moeilijk brandbaar zijn geworden
door het materiaal op een van de hiervoor genoemde materialen
te plakken. |
|
 |
6. |
Textiel in
horizontale toepassing. Moeilijk brandbare natuurvezel en
moeilijk brandbare kunstvezel moeten onderspannen zijn met
metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 35
centimeter of zijn onderspannen met een metaaldraad in twee
richtingen met een maaswijdte van ten hoogste 70 centimeter.
Brandbaar textiel moet tevens door impregneren moeilijk
brandbaar zijn gemaakt. De moeilijk brandbare hoedanigheid
moet door een proef kunnen worden aangetoond. |
|
 |
7. |
Kunststoffen
in dit geval foliemateriaal eventueel voorzien van een
zogenaamde textielrug. Het materiaal moet op een ondergrond
van onbrandbaar materiaal zijn geplakt of op board, triplex,
multiplex, spaanplaat, hout of glas in de hiervoor aangegeven
hoedanigheid. |
|
 |
8. |
Kunststoffen
in dit geval plaatmateriaal. Deze stoffen en alle hiervoor
genoemde stoffen en materialen moeten voldoen aan klasse 3.
Deze stoffen en materialen mogen nadat zij in aanraking zijn
gekomen met vuur of nadat zij aan hoge temperaturen hebben
blootgestaan geen prikkelende of voor de gezondheid
schadelijke gassen of dampen ontwikkelen en mogen niet
druipen. |
|
 |
9. |
Papier
zoals behangpapier, crêpepapier en of fotopapier. Het papier
moet zijn geplakt op een ondergrond van onbrandbaar materiaal
of op board, triplex, multiplex, spaanplaat, hout of glas in
de hiervoor omschreven hoedanigheid, dan wel het papier moet
door impregneren voldoen aan klasse 3. |
|
 |
10. |
9 Doeken,
gordijnen e.d. welke moeilijk brandbaar zijn gemaakt, moeten
zijn voorzien van een stempel of label waarop het waarmerk van
de gemeentelijke brandweer en het jaar van impregneren zijn
aangegeven. |
|
 |
11. |
0 Het
impregneren moet ten minste 24 uren voor de aanvang van het
evenement gereed zijn. De doeken, gordijnen e.d. welke niet
zijn geïmpregneerd, moeten voor de aanvang van het evenement
zijn verwijderd. |
|
| Artikel 6
Verbod voor open vuur en vuurwerk |
1. |
Voor het
gebruik van vuurwerk of fakkels is vooraf toestemming nodig
van de commandant van de brandweer. De toestemming dient
minimaal 14 dagen voorafgaand aan het evenement te worden
aangevraagd. |
|
 |
2. |
Het is
verboden te roken of een open vuur te hebben in ruimten
waarvoor dit op de bij de gebruiksvergunning behorende
tekening als zodanig is aangegeven. |
|
[terug naar inhoudsopgave]
Artikel
7 Bewaking en controle
In verband met de brandveiligheid kan de commandant van de brandweer bepalen
dat tijdens de openingsuren een wachtdienst moet worden ingesteld. Deze
bewaking dient te geschieden door gediplomeerd en ter zake geïnstrueerd
personeel.
| Artikel 9
Brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen |
1. |
In het
bouwwerk mogen brandbare, brandbevorderende en bij brand
gevaar opleverende stoffen slechts in dagvoorraad aanwezig
zijn. De lay-out van het bouwwerk dient zodanig te zijn dat
deze stoffen zich niet bevinden in de nabijheid van
nooduitgangen en trappen. |
|
 |
2. |
Buiten de
daartoe op de bij de gebruiksvergunning behorende tekening
aangegeven ruimten mogen in het bouwwerk geen brandbare,
brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen
aanwezig zijn. |
|
| Artikel 10
Opstellingsplannen |
1. |
Het
bouwwerk moet een door de commandant van de brandweer
goedgekeurd opstellingsplan bezitten. |
|
 |
2. |
De naar de
uitgangen lopende gangpaden moeten een breedte hebben van ten
minste de op de bij de gebruiksvergunning behorende tekening
aangegeven breedte. |
|
[terug naar inhoudsopgave]
| Artikel 12
Doorlopend toezicht |
1. |
Gedurende
de tijd dat personen in het bouwwerk aanwezig zijn, moet een
voor de naleving van de eisen van de gebruiksvergunning
verantwoordelijk persoon aanwezig zijn die de aanwijzingen van
de met de controle belaste ambtenaren op eerste aanzegging
uitvoert of doet uitvoeren. |
|
 |
2. |
Door of
namens de vergunninghouder moet er doorlopend worden
toegezien, dat voor zover van toepassing: |
|
 |
a. |
Vluchtwegen,
of aanduidingen daarvan, goed zichtbaar zijn; |
|
 |
b. |
Vluchtwegen
goed zichtbaar zijn; |
|
 |
c. |
Vluchtwegen
en het als verlengstuk van de vluchtwegen aan te merken
gedeelte van het aansluitende terrein, met de daarbij
behorende deuren en (nood)-uitgangen, niet versperd door
obstakels; |
|
 |
d. |
De
kunstverlichting goed functioneert; |
|
 |
e. |
De vloeren
stroef zijn; |
|
 |
f. |
De
traptreden stroef zijn; |
|
 |
g. |
Vloerbedekking
goed vastligt en niet kan omkrullen of oprollen; |
|
 |
h. |
Telefoons,
of aanduidingen daarvan, goed zichtbaar zijn; |
|
 |
i. |
Telefoons
goed bereikbaar zijn; |
|
 |
j. |
Blusmiddelen
of aanduidingen daarvan, goed zichtbaar zijn; |
|
 |
k. |
Blusmiddelen
goed bereikbaar zijn; |
|
 |
l. |
Het
sluiten van rook- en/of brandwerende deuren niet c.q. luiken
niet wordt belemmerd en dat deze voortdurend gesloten zijn; |
|
 |
m. |
Elektrische
snoeren, stekkers en toestellen in goede staat verkeren; |
|
 |
n. |
Geen
brandgevaarlijke situaties ontstaan door onveilig gebruik van
vuur, gas en/of elektriciteit. |
|
 |
o. |
Meldpunten
t.b.v. de ontruimingsalarminstallatie goed bereikbaar zijn; |
|
 |
p. |
Vluchtwegen
worden vrijgehouden van begroeiing, sneeuw en ijs; |
|
 |
q. |
Buitentrappen,
galerijen en balkons, die bij de vluchtwegen behoren, worden
vrijgehouden van begroeiing, sneeuw en ijs. |
|
Gebreken dienen direct te worden hersteld.
| Artikel 13
Brandbeveiligingsinstructie en ontruimingsplan uitgaande van de
bestaande interne organisatie |
1. |
De
rechthebbende op het bouwwerk moet in overleg met de
commandant van de brandweer een brandveiligheidsinstructie
samenstellen ten behoeve van het personeel. De instructie
“Hoe te handelen bij brand” dient in overleg met de
commandant van de brandweer te zijn opgehangen. |
|
 |
2. |
Het
personeel dient geïnstrueerd te worden in de voor hun functie
geldende brandenveiligheidsinstructies. |
|
 |
3. |
De
rechthebbende op het bouwwerk moet in overleg met de
commandant van de brandweer een ontruimingsplan opstellen ten
behoeve van de in het bouwwerk aanwezige personen. |
|
[terug naar inhoudsopgave]
|